De tentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België is een
hommage aan Pierre Alechinsky ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag.
De kunstwerken, die in overleg met de kunstenaar werden gekozen,
overspannen een artistieke loopbaan van meer dan zestig jaar.
In het retrospectieve en tegelijk labyrintische tentoonstellingsparcours
zal de bezoeker de karakteristieke thema’s van Alechinsky leren kennen.
In het bij Gallimard in 1994 gepubliceerde boek Baluchon et ricochets licht de
kunstenaar zijn typische methode toe om beelden en ideeën te ontwikkelen door herhaling,
transformatie, mutatie: dit procedé zal in de tentoonstelling zichtbaar worden. Daarnaast zal de bezoeker een
beeld krijgen van Alechinsky’s veelzijdigheid op technisch gebied: van schilderijen in olieverf,
inkt of acrylverf (soms monumentale werken zoals Alveolen, De dagen lengen) over tekeningen
(soms op heel groot formaat zoals Vergaderingen en colloquia, Het spel van d’oude penselen)
tot affiches, litho’s en ‘niet doorbladerbare’ boeken in steengoed of porselein.
Bij de ingang van het Museum voor Moderne Kunst zal het evocatieve Zwarte Zee te zien zijn, enerzijds als
eerbetoon aan zijn vader – die uit de Krim afkomstig was en in de jaren 1920 naar Brussel kwam, waar hij
zich als geneesheer vestigde – en anderzijds als uitnodiging tot de spirituele reis. De gang naar de museumzalen
zal met een aantal originele affiche-lithografieën
een illustratie vormen van de woorden van de kunstenaar: ‘Ik ben een schilder die van de drukkerij komt.’
De zwarte zee, 1988-1990, inkt, acryl op papier gekleefd op doek, 146 x 186 cm, Parijs, verzameling Ivan Alechinsky © ADAGP
Op de muur bij de toegang tot de tentoonstellingszalen zullen twee uitvergrote signaturen van de kunstenaar,
de ene rechtshandig en de andere omgekeerd linkshandig geschreven, de aandacht vestigen op het belangrijke
gegeven dat Alechinsky eigenlijk linkshandig is en door opvoeding rechtshandig werd. Gravures die samen met
de bijbehorende koperplaat worden gepresenteerd, zullen een idee geven van de essentiële rol van de drukkunst –
deze ‘spiegel van Alice’ – in het leven van een man die rechts schrijft en links schildert.

De titeltest, een reeks etsen uit 1966 die onderworpen werd aan de interpretatie van een zestigtal ‘uitgelezen titelgevers’ –
Hugo Claus, Julio Cortázar, Eugène Ionesco, Asger Jorn, Wifredo Lam, Roy Lichtenstein, René Magritte, Matta, Maurice Nadeau,
François Nourissier, Jean Paulhan, Jacques Putman, Reinhoud, Louis Scutenaire,
Philippe Soupault, Philippe Sollers, François Truffaut... – zal een spel met het publiek uitlokken.
De titeltest,5, 1966, ets op Rives papier, 50 x 65 cm, Archieven P.A. © ADAGP
De etsenreeks Inbijtingen uit 1962 (met een procedé op basis van lavendelextract) en de reeks tekeningen uit
1968 Informatiebronnen presenteren het resultaat van studies en waarnemingen ‘naar modellen’: sinaasappelschillen, kiemen, wortelen, schelpen en keien;
een door de werkelijkheid geïnspireerd grafisch vocabularium dat bijna het hele oeuvre kenmerkt.
Sinaasappelschillen en afleidingen, 1962, inkt op vergépapier van de 19de eeuw, 26,3 x 39,2 cm, Archieven P.A. © ADAGP

In het chronologische parcours komen eerst de schilderijen van de jonge kunstenaar aan bod, werken die na
hun tentoonstelling bij Lou Cosyn in Brussel in 1947 nooit meer te zien waren. Vervolgens wordt de actieve
deelname van Alechinsky aan CoBrA geëvoceerd met in de
Brusselse Ateliers du Marais gemaakte gouaches en litho’s uit de periode 1949–1951.
Ochtendgymnastiek, 1949, gouache op papier, 32,5 x 42 cm, Archieven P.A. © ADAGP
‘Cobra was mijn leerschool,’ zegt Alechinsky. Hij was een van de jongste leden van deze beweging,
waartoe onder anderen ook Karel Appel, Christian Dotremont en Asger Jorn behoorden. In onze tijd,
waarin een verregaande technologie het manuele, ja het menselijke werk tout court in gevaar dreigt
te brengen, was Cobra een simpele maar geen simplistische ‘gegevensbank’ met de spontaniteit als een
belangrijk reactief. Alechinsky is in zijn tekeningen,
schilderijen en teksten altijd de geest van Cobra verder blijven ontwikkelen.
De tentoonstelling is opgebouwd rond groepen betekenisvolle werken, bijvoorbeeld De hoge grassen uit 1951
(coll. Museo Reina Sofia, Madrid),
dat niet lang voor het einde van Cobra en het vertrek van Alechinsky naar Parijs ontstond.
Het hoge gras, 1951, olie op doek, 130 x 162 cm, Madrid, Museo nacional Reina Sofia © ADAGP
In de Franse hoofdstad vervolmaakte hij zijn graveertechniek bij Stanley William Hayter in Atelier 17.
De gravure Iets van een wereld uit 1952 getuigt van zijn interesse voor een soort grafologie die ‘het geschrift overstijgt’,
met name voor een geschrift dat tot het domein van de tekenkunst, de schilderkunst, de prentkunst behoort.
In die jaren werd hij de Parijse correspondent van het Japanse tijdschrift Bokubi (‘het genoegen van de inkt’).
Op aanmoediging van Henri Storck en Luc de Heusch vertrok hij in 1955 met zijn vrouw Micky naar Japan.
Hij toonde er De nacht uit 1952 (Ohara Museum, Kurashiki) en maakte de film Calligraphie japonaise –
waarvoor Christian Dotremont achteraf de commentaren schreef en André Souris de muziek componeerde.
In een piepklein kamertje in de omgeving van de Porte Saint-Martin, zonder mogelijkheid om fysiek een beetje afstand te nemen,
letterlijk met zijn neus op het werk dus, vatte Alechinsky in 1955 zijn eerste grote schilderij aan: Het mierennest
(The Solomon R. Guggenheim, New York). Vanaf 1958 volgden als vanzelf, onder de vleugels van Galerie de France,
T
schilderijen op nog groter formaat, zoals De grote transparanten uit 1959 (allusie op André Breton) en
Alice groeit uit 1961 (allusie op Lewis Carrol). Via een kortstondige verkenning van de informele kunst
kwam de kunstenaar tot een vrijere beschrijvende stijl, die van het gelaat naar het monster evolueerde.
James Ensor speelde daar ontegenzeglijk een rol in (Hommage aan Ensor uit 1956). Werken als De parabel van de blinden uit 1958,
Gebroekte wolken uit 1957 (SMAK, Gent)
worden gekenmerkt door het thema van de woekering, het gekrioel en ten slotte de opening.
Alice groeit, 1961, olie op doek, 205 x 245 cm, privé verzameling © ADAGP
Alechinsky reisde vanaf 1961 geregeld naar New York, waar hij opnieuw in contact kwam met de Chinese schilder
Walasse Ting, met wie hij in de jaren 1950 in Parijs bevriend was. Ting deed hem de mogelijkheden van de
acrylverfschildering ontdekken. Het jaar 1965 was voor de 37-jarige Alechinsky van cruciale betekenis:
hij schilderde toen Central Park, zijn eerste acrylverfschilderij dat geconcipieerd is als een centraal
thema met ‘kanttekeningen’ eromheen. De consequenties waren legio. Het thema van grenzen en randen ontwikkelde zich.
‘Margin and Center/Middelpunt en kantlijn’ was trouwens de titel van een grote individuele tentoonstelling in het
Guggenheim in New York in 1987, overgenomen door de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel in 1988.
Gaandeweg verliet hij de olieverfschilderkunst – een keuze die hij toelichtte in Lettre suit, Gallimard 1992 – ten gunste van het veel soepelere nieuwe medium,dat hij niet meer verticaal toepast maar ‘op Chinese wijze’, dat is:
horizontaal, op de vloer neergelegd
Central Park, 1965, acryl op papier gekleefd op doek, 162 x 193 cm,privé verzameling © ADAGP

Eveneens vanaf 1965 werd het op doek gemaroufleerde papier de geprefereerde drager van alle acrylverfschilderijen van de schilder.
De tekenaar botste tijdens zijn zoeken naar mooi maagdelijk papier uit de 17e, 18e en 19e eeuw, op grote aantallen volgeschreven registers.
Zo ontstonden zijn inkttekeningen en aquarellen op met ‘streepjes, cijfers en letters’ bezaaide bladen: briefomslagen, schoolschriften, oude
rekeningen, vervallen effecten, landkaarten, stafkaarten en luchtvaartkaarten. Gedroomde dragers van dromen voor een ‘reizende penseel’.
Hetzelfde penseel dat in een signatuur bijvoorbeeld een
Verzegeld, 1978, aquarel op postzending van 1829, 20,3 x 25,4 cm, Archieven P.A. © ADAGP
Gille de Binche herkent, wiens helm met witte pluimen een vulkaanuitbarsting,
een ejaculatie, een wolk in de vorm van een vraagteken wordt.
Een beeldtaal die evenzeer uit een proces van decodering als uit de ‘zwarte pupil’ van de inktpot geboren is.

In de jaren 1980 werden de schijf, de cirkel, de concentrische cirkels – die doen denken aan de woorden astres
et désastres (sterren en catastrofen) van Guillaume Apollinaire – een obsessie tijdens wandelingen in de straten
van New York, Arles, Saint-Benoît-sur-Loire, Brussel, Salzburg... Alechinsky incorporeerde in zijn werk stempelingen
van ‘stukken stadsmeubilair’ (pièces du mobilier urbain) in Oost-Indische inkt. Deze ‘putten en roosters’ (bouches et grilles),
gietijzeren deksels en roosters met het anonieme merkteken van een plaatgieter, zijn een vorm van volkskunst waar wij onachtzaam overheen
lopen zonder de tijd te nemen om de schoonheid ervan te waarderen.
Cirkelradius, 1990-1997, acryl en inkt op papier gekleefd op doek, 247 x 191 cm, privé verzameling © ADAGP

Het thema van de heuvel, in Vulkanen en Slakkenbergen bijvoorbeeld, heeft bij Alechinsky tal van uitdrukkingsvormen gekregen.
Via deze figuur en haar mutaties kwam hij tot het concept van de met het gebaar verbonden vorm. Tijdens een verblijf op Tenerife
vereenzelvigde hij de vulkaan, of beter de lavastroom, met de emblematische figuur van de slang. In deze versmelting van vorm en gebaar
wordt iedere figuur de vrucht van een spontane opwelling, en door deze thematiek heen – alomtegenwoordig in het werk vanaf de jaren 1960 – geeft
Alechinsky uitdrukking aan een actuele visie waarin de relatie van de mens met de wereld centraal staat.
Terril III, 2005, acryl op papier gekleefd op doek, 156 x 200 cm, Parijs, verzameling Ivan Alechinsky © ADAGP